3.2 Om de schapen heen (cirkelen)

Voor de eerste keer ga je met je hond naar de schapen. Uiteraard heb je de hond aan de lijn. Je probeert zo dicht bij de schapen te komen dat ze nog net niet weglopen. Je legt de hond af, je doet de lijn los en je gaat tussen de hond en de schapen in staan precies op die lijn, met aan jouw linkerkant de schapen en aan jouw rechterkant de hond. Je staat dus op de denkbeeldige lijn, gedacht vanaf de hond naar het midden van de schapen. Nu doe je twee à drie stappen terug. Daardoor ontstaat er een situatie waardoor de hond gemakkelijk zijn keuze zal maken om aan de rechterkant om de schapen heen te gaan. Als je de hond aan de linkerkant om de schapen heen wilt laten gaan, dan ga je op de lijn staan met jouw rechterkant naar de schapen en jouw linkerkant naar de hond. Je doet weer 2 á 3 stappen achteruit en de hond zal een sterke neiging hebben om links om de schapen te gaan. Deze keus van de hond wordt dus bepaald door de positie van de handler ten opzichte van de schapen.
In feite is het dus niet de hond die bepaalt, het is de handler die bepaalt welke kant de hond opgaat. Probeer je daar steeds goed bewust van te zijn!
Als je de juiste situatie hebt gecreëerd, zet je de hond aan om naar de schapen te gaan. Dat doe je door te sissen, een  geluid als sssshh, sssshh, sssshh, sssshh. Door dit geluid krijgen veel honden een onbedwingbare lust om te gaan rennen naar de schapen. Door jouw positie zal de hond of linksom of naar rechts om de schapen gaan. Zodra de hond gaat, probeer je zodanig mee te lopen, dat je als het ware tussen de hond en de schapen terecht komt. De hond loopt nu in een grotere boog om de schapen heen en jij loopt in een kleinere boog ongeveer tegen de schapen aan. De hond zal misschien proberen een schaap te pakken, maar dat lukt niet omdat jij daar steeds loopt. Na één of twee rondjes geef je het commando “af”. De hond gaat liggen. Je wacht enkele momenten, je maakt weer sisgeluiden, je let goed op welke kant de hond neemt en je zorgt ervoor dat je weer meeloopt tussen de schapen en de hond in. Dit herhaal je enkele keren, waarbij je probeert de hond zowel linksom als naar rechts rond te krijgen. Daarna lijn je de hond aan en neemt hem mee het weiland uit. De hond heeft zich heel goed laten zien en de baas kan heel tevreden zijn. Het geeft echter nog geen garantie dat deze hond een top werkhond zal worden.
Als de eerste keer bij de schapen verloopt zoals hierboven omschreven, is dat wel een ideale situatie. De hond heeft zo op het eerste gezicht heel veel eigenschappen goed en je hebt een prachtig uitgangspunt om de training in alle rust op te bouwen. Van belang is, dat je steeds observeert wat de hond vanzelf goed doet, want daar moet je in de training op aansluiten. Als het goed is, heb je je dat observeren al eigen gemaakt tijdens de opvoeding in het eerste levensjaar. Dat observeren is daarom zo belangrijk, omdat elke hond anders is. Er is gewoon geen hond gelijk. Elke hond heeft zijn eigen aanpak nodig. De basis van de training, de trainingsaanpak heeft wel dezelfde principes, maar in de praktijk moet die aanpak naar elke individuele hond worden aangepast aan de hond, waarmee je op dat moment bezig bent. Meestal gaat de eerste keer bij de schapen niet zo soepel.
In het begin kun je het beste hulp zoeken bij een ervaren handler met ervaren schapen. Zo’n handler weet hoe hij het handigste de hond om de schapen heen kan leiden.
Soms heeft een hond zo’n eerste keer weinig of geen interesse in de schapen. Ook al jaag je de schapen op en probeer je uit alle macht de hond mee rond de schapen te krijgen, dan kan het nog gebeuren dat de hond bij jou blijft lopen, omdat hij denkt dat je dat blijkbaar wilt. Of de hond snuffelt maar wat rond en dat is het dan. De hond heeft zich in zo’n geval niet goed laten zien en de baas is ronduit teleurgesteld. Het wil echter nog niet zeggen, dat deze hond geen werkhond zal worden.
Tussen deze twee uitersten zit nog een heel scala aan mogelijkheden. Soms wil een hond persé recht op het koppel af, waardoor de schapen alle kanten opvliegen en vervolgens één schaap de hond achter zich aan krijgt. Soms wil een hond wel heel graag, maar blijft steeds aan dezelfde kant als de handler en wil hij er niet omheen.
Je hebt niet alleen met de hond te maken. Ook de schapen zijn erg belangrijk. Schapen die geen hond gewend zijn, kunnen ontzettend in paniek raken als er zomaar een hond op ze af komt rennen. In zo’n geval kiest de hond vaak ook nog één schaap uit om die te pakken. Het schaap vlucht ongeveer voor zijn leven, knalt door het raster, raakt in een sloot, of blijft door stress voor dood op de grond liggen en de hond keert terug voor een volgend slachtoffer. De eerste keer dat ik mijn eerste Bordercollie bij de schapen liet, waren er drie elektrische afrasteringnetten vernield en acht schapen lagen geveld in het weiland voordat ik mijn hond weer bij me had.
Schapen kunnen ook te mak zijn. Bijvoorbeeld als ze gewend zijn aan een hond die niks doet, die gewoon met de baas meekomt wanneer die de schapen voert, die een beetje snuffelt en misschien een brokje mee opeet. Als er dan plotseling een Bordercollie bij zulke schapen komt, die moet leren op te treden als veedrijver, zullen zulke schapen niet de reactie tonen, die nodig is om een hond er mee te kunnen laten werken. Als zo’n hond ze echt te na komt, dan kunnen ze in verzet komen, met de voorpoten op de grond gaan stampen of ze stoten de hond ondersteboven. In ieder geval krijg je met een hond die alles nog moet leren zo’n situatie vrijwel zeker niet onder controle.
Als je met je hond voor de eerste keer naar de schapen gaat, is het belangrijk om als handler ook te anticiperen op wat de hond doet. Je legt de hond af, zo dicht mogelijk bij de schapen, je gaat zelf bij de schapen staan en je hitst de hond op (= sssshh, sssshh). Op het moment dat de hond komt, kun jij inschatten wat de hond gaat doen. Daarop is jouw handelen gericht. Jij moet zorgen dat de hond gaat lopen en wel om de schapen heen. Komt de hond recht op de schapen af, dan loop jij zodanig op de hond in, en tegelijk bij de schapen langs, dat de hond iets opzij gaat om jou er bij tussen te laten lopen. De hond moet dus aan de buitenkant komen te lopen, dan jij en binnenin staan of lopen de schapen. Met de stok kun je de hond eventueel aanraken om hem iets naar buiten te krijgen in de goede richting. Zorg er wel voor dat de hond geen angst krijgt voor de stok. Vaak zie je op het moment dat jij de hond één kant op wilt leiden, dat hij dan toch plotseling voor de andere kant kiest. Dat moet je niet erg vinden, maar gewoon accepteren. Je gaat zelf dan ook meteen die kant mee op. Jij anticipeert voorlopig even op de hond! Daardoor vallen als het ware de stukjes van de puzzel  in de kop van de hond veel sneller op zijn plaats. Het betekent wel dat je heel snel moet reageren op wat je bij de hond waarneemt. Want jij moet er in het begin immers voor zorgen dat je steeds op de goede plek staat of loopt. En dat is tussen de hond en de schapen in. Ongeacht welke kant de hond opgaat. Na een paar rondjes geef je het commando “af”. Je blijft zelf ook meteen staan. Je wacht enkele seconden en je zet de hond weer aan. Je let goed op welke kant hij op gaat en je past je weer aan.
Vaak komt het voor dat je de hond hebt afgelegd en terwijl jij richting schapen loopt om jouw positie in te nemen, dat de hond al begint te rennen. In dat geval laat je hem gaan en je gaat zelf ook meteen. Maar jij probeert wel om tussen de hond en de schapen in te komen, net zoals hierboven is omschreven. Als je op zo’n moment gehoorzaamheid eist, dus de hond toch af wilt laten liggen, dan maak je daar een punt van op een volkomen verkeerd moment. Bedenk dat je in de aanvangssituatie zit van het drijven van vee. Het kwartje moet kunnen vallen zonder frustraties of ander onhandig gedoe van de baas. Na de derde of de vierde sessie mag je weer meer echte gehoorzaamheid verwachten. Dus als er iets mis gaat, probeer je in redelijkheid door te gaan totdat de hond om de schapen heen cirkelt. Iets wat niet goed gaat, probeer je, gaande de oefening, om te buigen in de gewenste situatie zodat de hond er als het ware een goed gevoel aan over kan houden. Dan houd je het positief naar de hond toe en de volgende keer zal de hond proberen in die juiste situatie terecht te komen.
Probeer de eerste keer goed op te letten of de hond zowel over links als over rechts wil cirkelen. Als hij dat nog niet wil, is het niet erg, maar je moet het wel onthouden. De kant die hij niet op wil of minder goed op wil, moet je op een wat later tijdstip extra oefenen.
Als je de hond enige keren hebt laten liggen of staan en weer opnieuw hebt aangezet tot cirkelen, het liefst dus zowel over links als over rechts, dan komt het moment om te stoppen. Het is belangrijk om de hond niet uit te putten. Zo’n eerste keer is al erg inspannend (voor jezelf ook trouwens!) en de hond moet energie over houden. Het mag absoluut geen uitputtingsslag worden. Je geeft de hond het “af” commando als hij tegenover jou is, dus op de 12-uurs positie. Je loopt rustig naar hem toe en je lijnt hem aan. Je geeft hem een schouderklopje of je zegt kort dat hij braaf is. Dus niet overdreven belonen. Je doet alsof de hele sessie de gewoonste zaak van de wereld is. Daarna neem je hem mee het weiland uit.
Een uitgeputte hond leert niets meer. Laat een trainingssessie niet te lang duren!
Soms komt het voor dat de hond niet op de 12-uurs positie wil blijven liggen. Zodra jij je verplaatst, gaat hij ook weer. Dat is best lastig, want je kunt de hond niet bij je krijgen. De hond reageert op jouw beweging, maar niet meer op jouw commando. Daar moet je geen strijdpunt van maken op dit moment. De positieve ervaring moet voor de hond overheersend zijn. Als hij jouw komst niet af kan wachten, dan manoeuvreer je de schapen  met de hond daarachter naar de afrastering of naar een hoek. Er komt dan een moment dat de hond de schapen fixeert of er omheen wil, waardoor jij hem bij zijn halsband kunt pakken. Dat mag niet op een ruwe manier, want dan gaat het in jouw nadeel werken. Dit vraagt om een stukje handigheid van de handler. De hond moet het gevoel eraan overhouden dat hij prettig met jou heeft gewerkt, en wel onder jouw deskundige leiding. Na een aantal trainingen houdt dit gedrag vanzelf op.
Als je de hond één keer bij de schapen hebt gebracht, kun je het beste meteen de volgende dag verder gaan met de training. De ervaringen die de hond heeft opgedaan zitten nog vers in zijn geheugen en hij heeft het een beetje kunnen laten bezinken. Je begint weer op precies dezelfde manier. Met de hond aangelijnd het weiland in. De schapen zo dicht naderen, dat ze nog net niet weglopen. De hond afleggen. De lijn afdoen. De rechte lijn van de hond naar het midden van de schapen bepalen. Halverwege tussen de hond en de schapen op die lijn gaan staan. Drie passen terug doen. Sssshh, sssshh-geluiden maken. Ervoor zorgen dat je met de hond meekomt en tussen de hond en de schapen op de cirkel terechtkomt. Nou moet je opletten of de hond het geleerde van gisteren toepast. Als je ziet dat de hond zelf wil cirkelen, of zelf achter de schapen terecht wil komen, dan loop je niet meer zover mee als gisteren. Dan loop jij zelf misschien nog één cirkel of een halve cirkel. Het gaat erom dat de hond begrijpt wat jij wilt. Als jij een halve cirkel loopt, en de hond cirkelt verder mooi door, dan ga jij langzamer lopen tot je stil kunt staan, terwijl jij wel sssshh zegt om de hond te laten weten dat hij door moet gaan. Goed beschouwd geeft de hond signalen af naar jou en jij geeft signalen af naar de hond. Op deze manier heeft de hond vrij snel door wanneer jij hem om de schapen heen wilt hebben.
Opnieuw kun je het belang zien van de plek waar jij als handler staat ten opzichte van de schapen. Voor je de hond naar de schapen laat gaan, bepaal je immers nauwkeurig jouw positie door drie stappen achteruit te lopen. Daardoor gaat de hond linksom of naar rechts achter de schapen. Dat principe pas je nu ook toe bij het cirkelen. Alleen loop je nu geen drie passen achteruit. Veronderstel dat jij een positie hebt gecreëerd, waarbij de schapen mooi bij elkaar staan, de hond bevindt zich op 12 uur en jij bevindt je op 6 uur. Als jij nu (drie stappen) naar rechts gaat lopen, terwijl jij sssshh zegt, zul je zien dat de hond ook (naar rechts) gaat lopen, omdat hij zijn positie ten opzichte van jou en de schapen in evenwicht wil houden. Als jij dan sssshh blijft zeggen moet je kijken of de hond daarop blijft bewegen (cirkelen) ook als jij stil blijft staan. Waarschijnlijk hoef je maar één stap te doen om hem in beweging te krijgen, omdat hij zijn positie wil behouden. Jij koppelt dus jouw beweging aan jouw geluid (sssshh), waarbij jij jouw beweging zo snel mogelijk kleiner maakt, totdat alleen het geluid (=commando) overblijft. Dat is de manier waarop jij de hond iets kunt leren. Hij zal nu snel door hebben wat jij van hem wilt, op voorwaarde dat jij consequent jouw signalen toepast. Op dezelfde manier laat je de hond ook linksom lopen. Let erop dat er geen vast patroon ontstaat van bijvoorbeeld steeds twee keer naar rechts gevolgd door twee keer linksom. De hond onthoudt dit soort patronen gemakkelijk en dat is lastig als je de commando’s “linksom” en  “naar rechts” gaat aanleren.
Als jij niet consequent bent in jouw signalen, kan de hond je niet begrijpen. Hij handelt dan wel, omdat er beweging is, omdat zijn instinct hem iets ingeeft of om wat voor reden dan ook. Maar er is een fout leerproces en jij staat zelf buiten spel.
Kort samengevat:
  • Zorg voor een koppel schapen dat gewend is om met een hond te werken.
  • Altijd met de hond aangelijnd richting schapen lopen, totdat de processen volledig zijn geautomatiseerd.
  • De hond afleggen (of laten staan) voordat de schapen weglopen.
  • Jouw positie op de rechte lijn tussen hond en schapen bepalen. (Handler in het begin dichter bij de schapen, later dichter bij de hond.)
  • Drie stappen achterwaarts.
  • Hond aanzetten (=sssshh).
  • Meelopen en tussen de hond en de schapen blijven (dit zo snel mogelijk afbouwen).

Veel voorkomende beginsituaties:
  • De hond wil niet achter de schapen, maar blijft aan jouw kant.
  • De hond wil wel achter de schapen, maar wil niet cirkelen.
  • De hond stormt recht op de schapen af.
  • De hond is bijterig.
  • De hond laat zich niet weer aanlijnen.

De hond wil niet achter de schapen, maar blijft aan jouw kant.
Dat doet zich voor als de hond sterk op de baas is gericht. Je kunt duidelijk zien, dat hij aandacht voor de schapen heeft, hij begint ook wel de beweging om er omheen te gaan, maar breekt deze beweging meteen weer af, als hij ziet dat de handler blijft staan. Het gevolg is meestal dat de schapen ervandoor gaan en dan moet je de hele opstelling van voren af aan beginnen. Dat doe je natuurlijk ook, maar je zorgt er daarna voor, dat je mee blijft lopen tussen de hond en de schapen in. Je zorgt ervoor dat je, haast ongemerkt (voor de hond althans), iets achterblijft bij de hond. Dat iets achterblijven hoeft maar heel miniem te zijn, maar die afstand ga je langzaamaan vergroten. Na twee of drie rondjes om de schapen laat je de hond liggen , je wacht enkele seconden, je geeft “sssshh”, “sssshh” en je gaat weer rond. Je zorgt ervoor dat je enkele keren linksom en naar rechts afwisselt, en dan stop je. Je lijnt de hond aan, je beloont de hond gewoon, dus niet te uitbundig en je neemt hem mee het weiland uit. De volgende sessie probeer je weer net iets meer achter te blijven dan de vorige keer, maar je houdt het weer heel kort, maar wel fel (gedreven). Zodra je merkt dat de hond iets verder gaat, laat je hem liggen, jij stapt op de twaalf uurs positie en je gaat meteen achteruitlopen, waardoor de schapen met jou meekomen en op dat moment sta je de hond toe te gaan lopen achter de schapen aan. Goed opletten, want als de hond instormt, geef je meteen weer “af”, terwijl jij doorloopt met de schapen sta je de hond weer toe met “toe maar”. Laat hem niet te ver achter blijven bij de schapen. Op dit punt van de training is het belangrijk dat de hond het gevoel krijgt dat hij steeds “erbij” moet zijn. Dat maakt hem alerter op de baas, want die staat hem immers toe om te doen wat hij zo graag wil.
Een andere mogelijkheid om de hond achter de schapen te krijgen is de hond te laten liggen of staan vanaf de plek waar je samen staat. Daarna ga jij je verplaatsen naar de voorkant van de schapen, terwijl je de hond laat wachten. Dan heb je dus ook de situatie geschapen die jij wenst, namelijk jij op zes uur en de hond op 12 uur. Van daaruit ga jij lopen, de schapen komen achter jou aan en je geeft de hond het commando “toe maar”. Dan zal de hond meestal meteen proberen om weer aan jouw kant te komen, het begint met flanken en dat doet hij zover door tot hij weer bij jou is. Dat moet je voorkomen door ook meteen het “af” commando te geven terwijl jij blijft doorlopen. Daarna geef je weer “toe maar” , enz. Zoveel te minder vaak jij het de hond laat lukken om weer aan jouw kant te komen, zoveel te sneller zal hij door hebben(accepteren) dat zijn plek achter de schapen is.
Te lang laten wachten in het begin is voor de hond een signaal dat hij zelf het initiatief maar over moet gaan nemen. Daarmee staat ook meteen het leiderschap op het spel. Bovendien verliezen de hond en de schapen hún noodzakelijke contact als de hond te ver achterblijft.
De hond wil wel achter de schapen, maar wil niet cirkelen.
Vaak heb je in dit geval te maken met een hond die wat terughoudend is. Geen hond die zomaar overal op in vliegt. In feite is er geen probleem. De hond wil immers achter de schapen. Als jij gaat lopen drijft de hond de schapen achter jou aan. Zo’n hond gebruikt vanaf het begin zijn verstand en verbruikt niet onnodig zijn energie. Dit type hond moet je niet lastig vallen met eindeloos herhalen van oefeningen. Dat gaat hij snel saai vinden en dan verdwijnt zijn gedrevenheid. Als de hond de schapen rustig achter je aandrijft moet je hem ook niet “af” commanderen als dat niet nodig is. Dit type hond drijft vaak ook met enige terughoudendheid en is vanuit zijn aard al voorzichtig om de schapen niet voorbij de handler te drijven. Ondanks deze terughoudendheid kan de hond toch ook erg snel op de juiste plek zijn om een schaap terecht te wijzen. Belangrijk voor de trainer is om de hond goed in te schatten en hem zoveel mogelijk in zijn waarde te laten. De moeilijkheid hierbij is natuurlijk dat het leiderschap wel bij de handler moet blijven. Een juist inzicht in het karakter van de hond is bepalend voor het uiteindelijke resultaat. Bij een voorzichtige hond kan de handler zich vaak minder fouten permitteren dan bij een onstuimige hond.
Als het leerproces goed op gang is, kunnen zonder problemen de commando’s “linksom” en “naar rechts” worden aangeleerd. Als er zich later omstandigheden voordoen, waardoor de hond toch moet cirkelen dan lukt dit door bijvoorbeeld het commando “naar rechts” een aantal keren te herhalen (=doorsturen).
De hond stormt recht op de schapen af.
De hond ziet kans, ondanks het feit dat jij erbij staat om hem om de schapen heen te krijgen, om één schaap apart te krijgen en daar achteraan te jagen tot hij het schaap kwijt is. Vaak zie je daarna dat de hond terugkomt en opnieuw één schaap los krijgt van het koppel, daar weer achteraan jaagt, enz. Voor veel mensen is dit een schrikbeeld, waardoor het extra spannend wordt om de eerste keer de hond los bij de schapen te laten. Toch is het mijns inziens niet goed om schapen bij voorbaat in een “rondje gaas” te zetten en daar de hond omheen te laten rennen. Ik denk dat de hond daar niks van leert. Voordat je met een hond überhaupt met schapen wilt beginnen, moet het leiderschap zijn vastgesteld. De eigenaar of de trainer moet de hond al laten merken wie het voor het zeggen heeft, voordat deze ook maar aan een schaap geroken heeft. De eigenaar heeft daarvoor tijdens de opvoeding alle gelegenheid gehad. De trainer laat het aan de hond merken in de paar minuten voordat hij met de hond naar de schapen gaat. Dat “laten merken” gebeurt meer of minder subtiel, afhankelijk van hond en handler. Het is “iets” tussen hond en handler. Het is voldoende dat de hond “het”  beseft, of “het”  zo snel mogelijk gaat beseffen. Het leiderschap is overigens niet alleen van belang bij een hond die het liefst recht op de schapen afstormt, het is altijd van belang. En het leiderschap kan op ieder moment dat je met de hond bezig bent opnieuw moeten worden bevestigd. Dit in gedachten houdend, gaan we terug naar de situatie dat de schapen klaarstaan en jij tussen de hond en de schapen staat om alles in goede banen te leiden.
Op het moment dat de hond voor de eerste keer vertrekt naar de schapen, weet de handler nog niet wat de hond gaat doen. Maar de handler moet er rekening mee houden dat de hond recht in de schapen wil gaan. Op het allerlaatste moment kan zo’n hond nog van richting veranderen. De kunst is nu dat de handler juist op dat moment met de hond meegaat en aan de goede kant tussen de schapen en de hond in komt te lopen. Het is handig als de handler beschikt over een stok van ongeveer anderhalve meter en een lange zweep zoals die gebruikt wordt bij het longeren van een paard. Als de handler goed op alles is voorbereid, is de kans groot dat het de hond niet lukt om een schaap af te splitsen. Sterker, het mág de hond eigenlijk niet lukken, want iedere keer dat het de hond wel lukt, heeft hij succes. Als het de hond drie of vier keer gelukt om achter één schaap aan te jagen is dat het begin van automatisme. Dan wordt het al moeilijker om hem nog in het goede spoor te krijgen. Het moet dus eigenlijk meteen de eerste keer goed gaan en de handler kan dit bereiken door op het juiste moment op de goede plaats te staan en de hond eventueel met de stok iets naar buiten te duwen. De handler moet ervoor zorgen dat er  doorgelopen wordt zowel door hemzelf als door de hond. De beweging moet doorgaan. Ook als de hond plotseling de andere kant opgaat. De handler móét er voor zorgen dat hij op hetzelfde moment mee gaat de andere kant op. Hiermee wordt het leiderschap van de handler versterkt. Vanuit zijn instinct zal de hond op dit moment meer respect krijgen voor de handler. Voor de hond lijkt het of de handler alwetend is. Als de handler kans ziet de bewegingen door te laten gaan, linksom en naar rechts en de hond aan de buitenkant weet te houden met behulp van stok of lange zweep, snapt de hond sneller de bedoeling. Het gebruik van de lange zweep kan hier ook uitkomst bieden. De lange zweep is flexibel en geeft wat gemakkelijker mee en desnoods kun je het eind van de zweep gebruiken om de hond mee aan te raken. Daarmee verleng jij je arm nog eens extra en je kunt de hond ook verder naar buiten krijgen. Denk er wel om dat het uiteinde van de zweep veel harder aan kan komen dan jouw bedoeling is. De hond mag er absoluut niet kopschuw van worden. De zweep moet alleen gebruikt worden als het echt nodig is en met oordeel door de handler gebruikt kan worden. Als je op deze manier even bezig bent, raakt de hond snel uitgeput. Dan wil de hond  wel graag even liggen op het commando “af”. Daar maak je dan handig gebruik van. Je laat de hond even liggen, maar niet te lang. Je zet weer in en dan zul je merken dat de hond vrij snel jouw signalen wil volgen, omdat hij in jou zijn meerdere herkent. Soms is een hond zo gedreven, dat hij jouw signalen niet opvangt. Dan kan de lange zweep ook helpen door er een zoevend geluid mee te maken of door de zweep een knalletje te laten geven. De hond schrikt van het plotselinge geluid en juist op dat moment geef jij het gewenste commando. Je laat hem bijvoorbeeld heel even liggen en dan jaag je de hond meteen weer op om rond de schapen te gaan. Als dat zich een paar keer heeft herhaald, krijgt de hond door dat jij de signalen geeft, waardoor het werken juist interessanter wordt. Af en toe vergeet de hond dit weer, maar een geluid met de zweep zet hem dan snel op het goede spoor.
Let wel op het gedrag van de hond als je de zweep gebruikt. Niet iedere hond kan er tegen en je moet de hardheid van het geluid, en het gebruik van de zweep in het algemeen, aanpassen aan wat je hond hebben kan.
Ook op dit punt geldt heel duidelijk dat je altijd moet blijven observeren, maar je moet ook dingen uit durven proberen. Denk erom dat je de zweep alleen gebruikt als het echt nodig is en dat je van dat gebruik zelf niet een gewoonte maakt.
Na drie tot acht sessies moet er een situatie zijn ontstaan dat je de hond kunt laten liggen op zo’n tien meter van de schapen, waarna jij jouw positie in kunt nemen ten opzichte van de hond en de schapen. Op jouw signaal moet de hond in ieder geval achter de schapen belanden of er omheen willen lopen. Waarschijnlijk moet je nog een beetje inlopen of meelopen, maar het begin moet er nu zijn. De hond wil bewegen en als jij achteruit gaat lopen, moeten de schapen met jou meekomen, omdat de hond ze opdrijft.
De hond is bijterig.
Soms heb je een hond die steeds in de schapen wil bijten. Het kan zijn dat zo’n hond er één schaap uitkiest die vastpakt en niet weer los laat. Het kan ook zijn dat de hond, als hij achter de schapen is, onophoudelijk schapen in achterpoten of staarten bijt. Daar moet je natuurlijk wel wat aan doen, want voor de schapen is het erg vervelend en voor de hond moet het niet een onnodig aanwensel worden. De eerste keren als je met zo’n hond werkt, probeer je met de stok te voorkomen dat de hond zo dicht bij de schapen komt, dat hij kan bijten. Dat zal je niet altijd lukken, maar je moet er dan des te meer op letten dat jij tussen de schapen en de hond in komt te lopen. Zo’n hond die graag wil bijten zal ook proberen snel van richting te veranderen, daar moet je extra alert op zijn zodat je meteen ook de andere kant op kunt gaan. Je moet de hond in elk geval niet afstraffen voor het bijten. En je moet de hond zeker niet afleren om te bijten. Je mag het in het begin vervelend vinden dat de hond bijt, maar later heb je er gemak van. Een hond die wil bijten heeft namelijk gemakkelijker meer overwicht op de schapen. Het bijten wordt in de loop van de tijd meestal minder. Een hond die in het begin behoorlijk bijterig is, zal later meestal zijn tanden alleen maar gebruiken als het echt nodig is.  Je moet aan het te graag bijten in de beginfase niet teveel aandacht besteden. Het omgekeerde geldt ook: een hond die aarzelend wil bijten, mag je best een beetje aanmoedigen, zodat hij merkt dat het is toegestaan.
Een enkele keer gebeurt het dat een hond erg insnijdt om bij de schapen te komen en als hij er dan is, bijt hij in het spronggewricht van dat achterste schaap. Het gevolg is dat het schaap kreupel loopt, maar het gevolg kan ook zijn dat zo’n schaap zijn achterpoot breekt. Vooral omdat zo’n hond dit kunstje flikt met grote snelheid. Als handler moet je er voor zorgen, dat je op tijd inloopt. Eventueel kun je gebruik maken van de lange zweep op dezelfde manier zoals hierboven is omschreven. Na een paar sessies moet de hond op de gewenste afstand zijn en dan lost het probleem zich meestal snel op, omdat de commando’s dan normaal weer worden opgevolgd.
De hond laat zich niet weer aanlijnen.
Soms is een hond zo gedreven dat je hem niet weer aan de lijn kunt krijgen na de training. Het kan best zijn dat de hond normaal heel goed naar je luistert, misschien heeft hij zelfs tijdens het werken met de schapen al heel goed naar je geluisterd, maar hij kan gewoon niet stoppen. Daar moet je niet moeilijk over doen. Het “kwartje” is nog maar net gevallen en in de kop van de hond gaat van alles om. Het is gewoon zaak om de hond bij je in de buurt te krijgen zodat je hem kunt pakken. Dat vastpakken mag beslist niet op een hardhandige manier gebeuren. Ook moet je er voor oppassen dat je niet een te onverwachtse beweging maakt, waardoor de hond erg schrikt. Het komt er nu op aan hoe handig, hoe creatief jijzelf bent. Soms gaat een hond heel dicht bij de schapen staan om ze te fixeren en dan kun je hem pakken en de riem aandoen. Soms moet je ermee naar het raster, waardoor er een situatie ontstaat dat je de hond toch kunt pakken. Het kan ook zijn dat het lukt in een hoek.
Maar wat er ook gebeurt, bedenk dat jij in ieder geval een hond hebt die heel graag wil werken. Je moet zelf rustig en geduldig blijven, vooral niet boos worden, de tijd nemen en geen commando’s geven die toch niet worden opgevolgd.
Je beweegt je rustig met de schapen om een situatie te creëren die jij wenst en houd altijd voor ogen dat jij er echt als leider uit moet komen. Als je de hond (eindelijk) hebt, lijn je hem aan, je beloont hem een beetje en neemt hem aangelijnd mee het weiland uit.
Slotopmerkingen
Hou er rekenschap mee dat geen hond gelijk is. Bovenstaand zijn de meest voorkomende gedragsmogelijkheden, maar er zijn natuurlijk altijd weer uitzonderingen waar je op dat moment op een goede manier moet proberen op in te spelen. Het belangrijkste is eigenlijk dat je zelf rustig en beheerst bent, goed kijkt hoe de hond reageert en hoe de schapen reageren en vanuit die situatie bedenk jij hoe je op dit geheel het handigst inspeelt. Wees niet te bang om iets uit te proberen en het is het verstandigste om de eerste keren met behulp van een ervaren handler te werk te gaan.
Je moet er oog voor proberen te krijgen wanneer jouw hond toe is aan iets nieuws. Een Bordercollie vindt het saai om steeds hetzelfde te doen. Naarmate je meer oefeningen beheerst, kun je gemakkelijker afwisselen.