3.7 Van je af drijven

Dit is een moeilijk onderdeel, omdat de hond juist de schapen tussen zichzelf en zijn baas in wil houden. Omdat het moeilijk is moet je ervoor zorgen dat de sfeer tussen jou en de hond goed blijft. Je moet eraan beginnen als je enige handigheid hebt gekregen in de vorige oefeningen. Eigenlijk moet je kansen, die zich toevallig voordoen, benutten. Veronderstel jij loopt een lijn en de hond drukt te hard waardoor de schapen jou voorbij dreigen te gaan. Tot nu toe heb je dat voorkomen door de hond af te leggen. Maar nu laat je de hond eens doorgaan, de schapen lopen jou voorbij, jij geeft het commando “toemaar” en net voordat de hond om de schapen heen wil om ze tegen te houden geef je het commando “af”. De hond gaat liggen en meteen geef je weer het commando “toemaar”, “toemaar” en weer net voordat hij er omheen wil geef je  het commando “af”. Met een beetje geluk lopen de schapen zo 10 meter door, jij zorgt dat je “goed” staat en je geeft ssshh, ssshh om hem er wel nu omheen te krijgen. Je legt hem op 12 uur weer af en begint meteen een lijn achteruit te lopen. Als je dit enkele keren goed lukt, begrijpt de hond al gauw wat je bedoelt. Daar komt nog bij dat de hond extra alert gaat worden, omdat hij het afdrijven moeilijk vindt en jij tóch vrij snel daarna hem de schapen terug laat halen. In de ogen van de hond wordt alles bepaald door jou en hij gaat dat steeds leuker vinden. Hij merkt gaandeweg dat als hij met jou mee doet hij door kan blijven gaan met de schapen. Het samenwerkingsverband van jou met jouw hond komt steeds meer tot stand.
Het van je af drijven moet je steeds kort oefenen. Vooral in het begin een gelegenheid afwachten die zich voordoet. Je kansen grijpen. Als de hond door begint te krijgen wat je bedoelt, kun je gemakkelijker een situatie scheppen. Bijvoorbeeld als je de hond een korte outrun laat maken en de schapen komen naar je toe, dan houd je ze niet tegen als ze bij je komen, maar dan laat je ze doorlopen. De hond drijft ze van je af, 5 meter, je stuurt de hond achter de schapen, laat ze terugdrijven naar jou, je laat ze weer doorlopen, enz. Als 5 meter goed gaat, probeer je 10 meter, 20 meter, 30 meter,enz. Die dertig meter mag je best pas bereiken na 1 week. Zorg er wel voor dat je steeds probeert de afstand te vergroten, steeds probeert de grens op te zoeken tot hoever je kunt gaan. Dan zólang op die afstand oefenen tot het is bevestigd en dan weer meer afstand erbij nemen.